Vooruitblik: DE ONTMENSELIJKTEN (komt in 2027)

Gepubliceerd op 15 augustus 2026 om 16:06

VOORWOORD DE ONTMENSELIJKTEN

Stelt u zich eens voor; een westerse samenleving waarin wordt besloten dat een specifieke groep mensen anders behandeld moet worden dan de rest van de samenleving. Een hele groep mensen waarvan slechts op basis hun leeftijd wordt besloten dat zij niet meer volwaardig mee kunnen doen in de samenleving. Dat zij omwille van hun eigen veiligheid en dat van anderen, het beste zo min mogelijk contact met andere mensen kunnen hebben. Een omgeving waar intermenselijk contact zelfs wordt ontmoedigd en wordt gereguleerd door AI, op basis van wetenschappelijk onderzoek. Waar daglicht wordt gesimuleerd, geluiden worden nagebootst en dat de mogelijkheid om te leven of te sterven wordt bepaald door een algoritme. Zelfbeschikking bestaat er niet.   Klinkt wreed, nietwaar? En wellicht totaal ongeloofwaardig klinkt het idee dat dit in Nederland zou gebeuren. Maar, zo ongeloofwaardig is dat niet.

Wanneer we terugkijken naar perioden waarin bevolkingsgroepen structureel anders werden behandeld, lijkt het verleidelijk te veronderstellen dat tijdgenoten onmiddellijk moeten hebben begrepen wat er gaande was. Dat onrecht herkenbaar was als onrecht, uitsluiting als uitsluiting en discriminatie als discriminatie. Maar zo eenvoudig is het blijkbaar nooit, getuige het feit dat het, ook ná de Tweede Wereldoorlog keer op keer is gebeurd. In Zuid-Afrika werd vanaf 1948 een samenleving opgebouwd waarin de staat burgers formeel naar ras classificeerde. Die classificatie bepaalde mede waar iemand mocht wonen, werken en onderwijs volgen. Met de Group Areas Act van 1950 werden woongebieden aan raciale categorieën toegewezen en konden mensen gedwongen worden te verhuizen omdat zij volgens de administratie op de verkeerde plaats woonden. Paswetten beperkten daarnaast de bewegingsvrijheid van zwarte Zuid-Afrikanen. Dit duurde allemaal tot 1994, bijna zestig jaar, dus.

Ook in de Verenigde Staten bestond tot ver in de jaren zestig in delen van het land wettelijk ondersteunde rassensegregatie. Scholen, publieke voorzieningen en maatschappelijke instituties waren niet voor iedere burger op dezelfde wijze toegankelijk. Zwarte Amerikanen konden formeel wel stemrecht bezitten, terwijl bureaucratische voorwaarden ervoor zorgden dat dit recht voor velen in de praktijk sterk werd beperkt. Mensen van twee verschillende rassen mochten tot 1967 niet met elkaar trouwen. En zelfs nu, anno 2027, kan een regering zoals dat van Trump zodanig polariseren, dat het lijkt alsof we ons opnieuw in de jaren vijftig een zestig begeven. Een nieuwe geschiedenis die zich, hopelijk, achteraf eenvoudiger laat veroordelen dan op het moment dat deze geschreven wordt. Wat we voor onze ogen zien en laten gebeuren is dat een overheid een recht niet noodzakelijkerwijs hoeft af te schaffen om het vrijwel waardeloos te maken. Zij kan voorwaarden stellen, procedures toevoegen, bewijslast vergroten, toegang bemoeilijken en uitzonderingen formuleren. Wanneer iedere afzonderlijke regel op papier nog enigszins verdedigbaar lijkt, kan het eindresultaat desondanks een systeem zijn waarin een bepaalde groep structureel minder vrijheid geniet dan een andere.

Misschien wel nóg ongemakkelijker worden de historische voorbeelden waarin uitsluiting niet wordt verdedigd vanuit vijandigheid of superioriteit, maar vanuit zogenaamde zorg. In Australië werden Aboriginals en Torres Strait Islander-kinderen gedurende een groot deel van de twintigste eeuw uit hun gezinnen en gemeenschappen verwijderd. Tot in de jaren zeventig gebeurde dit nog op grote schaal. De gedachte daarachter was onder meer dat kinderen moesten assimileren in de dominante witte samenleving. Een latere onderzoekscommissie concludeerde dat tussen ongeveer één op de drie en één op de tien inheemse kinderen tussen 1910 en 1970 van hun familie en gemeenschap werd gescheiden. Daarbij werd taal gebruikt die aanzienlijk vriendelijker klonk dan de gevolgen die het had. Bescherming, welzijn, het belang van het kind. Door dit soort termen, hoeven mensen (wetgevers, handhavers, etc.) niet noodzakelijkerwijs te geloven dat zij een ander kwaad doen. Zij kunnen en zullen werkelijk overtuigd zijn van hun goede bedoelingen en tegelijkertijd vrijwel iedere vorm van autonomie van degene die zij zeggen te beschermen afnemen.

Canada kende tot in de jaren negentig een vergelijkbaar mechanisme in het systeem van Indigenous residential schools. Inheemse kinderen werden verplicht of gedwongen naar door de overheid gefinancierde en veelal door kerken bestuurde kostscholen gestuurd. Ouders en gemeenschappen verloren daarmee in belangrijke mate de mogelijkheid hun kinderen op te voeden binnen hun eigen cultuur. Het expliciete doel van het systeem was assimilatie in de Euro-Canadese samenleving. En voor wie denkt dat dit al lang vervlogen geschiedenis is; de laatste Indian Residential School sloot pas in 1997. Ook hier werd het individu niet noodzakelijkerwijs als vijand omschreven, dat was niet eens nodig. Een overheid kan immers stellen dat zij iemand wil opvoeden en daarmee betere kansen geven op een volwaardige deelname aan een samenleving. Dwang krijgt een ander karakter wanneer zij als dienstverlening wordt gepresenteerd.

Japan levert een ander en voor de werking van bestuurlijke systemen misschien nog interessanter voorbeeld. Mensen met de ziekte van Hansen (lepra) werden daar wettelijk geïsoleerd. Aanvankelijk kon daarvoor ten minste een argument vanuit volksgezondheid worden aangevoerd. Er bestond een ziekte, er bestond angst voor besmetting en de overheid reageerde daarop met afzondering, maar vervolgens veranderde de medische kennis. Lepra bleek behandelbaar en permanente isolatie was niet langer medisch noodzakelijk. Toch bleef de Leprosy Prevention Law bestaan tot 1996.

Dat mechanisme is niet eens zo gek; er bestaat een werkelijk of vermeend risico en als reactie daarop wordt een uitzonderings-regime ingevoerd. Vervolgens verandert over tijd de werkelijkheid waarop dat regime oorspronkelijk was gebaseerd, maar het regime zelf blijft bestaan. Hoelang bleven we in Europa in de periode 2020-2023 ook alweer vasthouden aan Corona-maatregelen, terwijl we achteraf kunnen constateren dat, met de kennis van nu, veel van de beperkende maatregelen écht buitenproportioneel waren?

Een volgend voorbeeld komt uit Ierland, waar eveneens een geschiedenis gekend wordt waarin formele vrijwilligheid en feitelijke vrijheid niet hetzelfde bleken te zijn. In Mother and Baby Homes verbleven gedurende een groot deel van de twintigste eeuw ongehuwde zwangere vrouwen en hun kinderen. Het officiële onderzoek naar deze instellingen bestrijkt een periode die zelfs doorloopt tot 1998. De Ierse regering erkende later de stigmatisering van ongehuwde moeders, het verlies aan handelings-vrijheid en de rol die niet alleen kerk en staat, maar ook de samenleving daarin speelde. Het saillant detail is dat vrouwen juridisch in veel gevallen niet eens letterlijk gedwongen waren een dergelijke instelling binnen te gaan. Formeel bestond er een keuze. Maar een keuze waarvan één mogelijkheid betekent dat iemand sociaal wordt uitgesloten, financieel nauwelijks kan overleven of door familie en gemeenschap wordt verstoten, is, als u het mij vraagt, een merkwaardige vorm van vrijheid.

En ja, Nederland kent eveneens tal van voorbeelden waarin wetgeving onderscheid maakte tussen bevolkingsgroepen op basis van normen die in hun eigen tijd door een aanzienlijk deel van de samenleving verdedigbaar werden geacht. Slavernij, Molukkers, vrouwenrechten die tot halverwege de jaren tachtig niet gelijkwaardig aan mannenrechten waren. Tot 1971 gold voor homoseksueel contact een grens van 21 jaar, tegenover 16 jaar voor heteroseksuele contacten. Een belangrijk argument hiervoor was bescherming; jongeren zouden moeten worden beschermd tegen homoseksuele beïnvloeding. Daarmee ontstond opnieuw hetzelfde patroon. Er is een groep die bescherming verdient; er wordt een risico geformuleerd; vervolgens wordt vanwege dat risico voor een andere groep een afwijkende wettelijke norm gecreëerd. En laten we niet vergeten dat in Nederland homoseksuelen pas sinds 2001 het récht hebben om te trouwen en in veel landen nog steeds niet.

Het recente Nederland biedt ten slotte een voorbeeld dat in ernst nauwelijks te vergelijken valt met bijvoorbeeld apartheid, gedwongen assimilatie of langdurige institutionalisering, maar weldegelijk relevant is voor de werking van moderne bureaucratie. Tijdens de toeslagenaffaire kon een niet-Nederlandse of dubbele nationaliteit een rol spelen in de kans dat iemand door de Belastingdienst werd gecontroleerd. Bepaalde verwerking van nationaliteit werd recent nog als discriminerend aangemerkt. Voor dit enorm complex en bureaucratisch systeem was derhalve geen klassieke onderdrukker in de vorm van een dictator met een pet nodig, geen gewapende bewaker, niet een hek rondom een woongebied. Er bestonden gegevens, risicomodellen, selectieregels, procedures en medewerkers die binnen hun functie uitvoerden wat het systeem van hen vroeg. Kun je het hen dan kwalijk nemen?

De geschiedenis van de afgelopen tachtig jaar laat geen enkelvoudig patroon zien. De omstandigheden zijn daarvoor te divers, de slachtoffers verschillen en vooral de ernst verschilt. Maar enkele mechanismen keren opvallend vaak terug. Mensen worden tot een categorie gerekend, om vervolgens eigenschappen toegerekend te krijgen, of die nu kloppen of niet. Aansluitend ontstaat een vermeend maatschappelijk probleem waarvoor afwijkende behandeling noodzakelijk wordt geacht. Tijdelijke maatregelen raken ingeburgerd, procedures worden normaal en uiteindelijk lijkt het systeem op het eerste gezicht prima te werken. En de gemiddelde mens is, blijkbaar, te stoïcijns om daardoorheen te kijken.

Een samenleving wordt niet onmenselijk op het moment dat zij besluit mensen slecht te behandelen. Dat zou eenvoudig te herkennen zijn en, naar ik hoop tenminste, vrij gemakkelijk tot verzet leiden. Ontmenselijking is aanzienlijk ingewikkelder. Zij ontstaat juist wanneer redelijke mensen, met redelijke argumenten en dikwijls zelfs met goede bedoelingen, besluiten dat voor een bepaalde groep mensen andere regels moeten gelden. Dat gebeurt meestal niet in één keer en er is een lange aanloop van vaak heftige gebeurtenissen voor nodig om te komen tot bepaalde regelgeving. Er is geen vergadering waarin iemand voorstelt de menselijke waardigheid voortaan af te schaffen, waarna de aanwezigen hun hand opsteken en instemmend knikken. Er wordt maandenlang gesproken over persoonlijke veiligheid, betaalbaarheid, capaciteit en beheersbaarheid. Over personeelstekorten, risico’s, efficiëntie en de noodzaak om moeilijke keuzes niet langer uit de weg te gaan. Er verschijnen rapporten, commissies, modellen en prognoses. Deskundigen worden geraadpleegd, juristen schrijven adviezen, communicatiebureaus zoeken woorden die niet te veel weerstand oproepen en bestuurders verzekeren elkaar ervan dat uitzonderlijke omstandigheden nu eenmaal om uitzonderlijke maatregelen vragen. Wederom denk ik terug aan de Coronamaatregelen in 2020 tot 2023, waar ik overigens geen tegenstander van was, maar waar achteraf wel vraagtekens bij de proportionaliteit gezet kunnen worden. Ergens gedurende ieder volstrekt rationeel ogend proces wat leidt tot maatregelen, verandert een mens in een categorie. De menigte accepteert dat, de eenling die ertegen optreedt wordt weggezet als ‘wappie’. Het is dat mechanisme wat mij buitengewoon boeit.

Dit boek is niet een voorspelling. Voorspellen is überhaupt een merkwaardige bezigheid, omdat de toekomst zich zelden voldoende aantrekt van de mensen die haar proberen te voorzien. Veel interessanter is de vraag onder welke omstandigheden een samenleving bereid raakt principes los te laten waarvan zij op een moment nog beweert dat die onaantastbaar zijn. Vrijheid is zo’n principe, autonomie ook. Net als lichamelijke integriteit, privacy, zelfbeschikking en het recht om (al dan niet onverstandige) beslissingen over het eigen leven te nemen. Dat klinkt voor de meesten vanzelfsprekend, maar de werkelijke waarde van die begrippen blijkt pas wanneer het respecteren ervan lastig, duur, inefficiënt of zelfs gevaarlijk wordt. Op dat moment ontstaat een moreel probleem dat zich niet zomaar laat oplossen. Want, veiligheid is meetbaar, geld eveneens. Personeelsbezetting kunnen we tellen en een tekort eraan onderkennen, incidenten kunnen we registreren. Menselijke waardigheid, daarentegen, laat zich aanzienlijk beroerder vatten en daarmee ontstaat er een merkwaardige asymmetrie. Datgeen wat meetbaar is, krijgt vanzelf gewicht in besluitvorming, terwijl hetgeen nauwelijks meetbaar is langzaam als subjectief, emotioneel of onuitvoerbaar terzijde kan worden geschoven. De uit die rationele besluitvorming voortvloeiende regels, notities, protocollen en wetten zijn op zichzelf niet het probleem. Een algoritme haat niemand en een protocol kent geen sadisme. Een ambtenaar die een norm uitvoert hoeft niemand kwaad te wensen en een bestuurder die capaciteit efficiënter organiseert kan oprecht menen verantwoordelijk te handelen. Toch kan het resultaat van al die afzonderlijk verklaarbare handelingen een systeem zijn waarin uiteindelijk niemand zich nog verantwoordelijk voelt voor hetgeen dat systeem in z’n totaliteit mensen aandoet.

De vraag die in dit boek centraal staat is niet of kunstmatige intelligentie ooit in staat zal zijn een mens te verzorgen, om liefde te geven, om zó menselijk te zijn, dat het ook zo aandoet. De interessantere vraag is hoeveel menselijkheid wij bereid zijn uit zorg te verwijderen voordat wij moeten erkennen dat hetgeen overblijft misschien nog wel efficiënt, veilig en medisch verantwoord is, maar nauwelijks meer zorg genoemd kan worden. Hetzelfde geldt voor bescherming. Bescherming klinkt onschuldig, totdat degene die beschermd wordt niet meer mag weigeren. Veiligheid klinkt vanzelfsprekend, totdat niemand nog mag beslissen hoeveel risico hij in zijn eigen leven wenst te accepteren. Collectief belang is een bijzonder overtuigend argument, zolang iemand anders degene is die daarvoor zijn vrijheid moet inleveren.

Vroeg of laat krijgen alle ouderen te maken met (over)bescherming en zorg, want ouderdom maakt afhankelijk. Soms lichamelijk, soms cognitief en vaak slechts doordat de wereld om iemand heen steeds minder rekening houdt met degene die hij of zij geworden is. Afhankelijkheid, waar zelden voor gekózen wordt, schept vervolgens bijna onvermijdelijk een machtsverhouding en iedere machtsverhouding verdient wantrouwen zodra degene over wie wordt beslist steeds minder mogelijkheden heeft om zelf nog invloed op die beslissing uit te oefenen. Daar is geen dictator of satanist voor nodig. Een wet die op papier geloofwaardig, humaan, beschermend en verzorgend overkomt is het enige.

De gebeurtenissen, de karakters, de wetten en ministeries in dit boek zijn verzonnen. De redeneringen waarmee zij mogelijk worden gemaakt, helaas, veel minder. Lees dit verhaal daarom niet als een voorspelling van wat er gaat gebeuren. Daarvoor pretendeert het te weinig wetenschap en bevat het te veel fictie. Beschouw het liever als een gedachte-experiment. Verander een paar variabelen, verhoog de druk op een systeem, maak mensen bang, voeg schaarste toe. Klinkt het al bekend? Geef technologie een steeds groter aandeel in beslissingen die voorheen door mensen werden genomen. Maak één bevolkingsgroep afhankelijker van de rest en laat vervolgens iemand overtuigend uitleggen dat een tijdelijke beperking van individuele rechten noodzakelijk is voor het grotere geheel. Observeer wat er dan gebeurt. Nee, u weet al wat er dan gebeurt.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.