Hieronder lees je de eerste twee hoofdstukken uit De Zorg Verandert Nooit

De Zorg Verandert Nooit: preview           

Gedurende een leven is ieder mens constant in verandering. Het is onvermijdelijk dat een mens ontwikkeling en verandering op persoonlijk vlak doormaakt, want dat is iets wat gewoon gebeurt in de pak ‘m beet 90 jaar dat iedereen op aarde is. Door wat we leren en meemaken tijdens zowel fijne als moeilijke gebeurtenissen. Soms door schade en schande wijzer. Mensen gaan trouwen, of blijven alleen. We gaan scheiden, verliezen een partner, ouder of kind. We verhuizen en trouwen opnieuw. Verandering hoort bij het leven en daarmee omgaan gaat vanzelf. Voor de een is dat makkelijker dan voor de ander en soms is daar wat hulp bij nodig. Van vrienden, familie, of van professionals. Sommigen doen dat liever alleen, in hun eigen tempo of op hun eigen manier.

Verandering hoort ook bij organisaties en daar begint het interessant te worden. Want terwijl persoonlijke ontwikkeling  en verandering bijna vanzelf lijken te gebeuren, blijkt dat op professioneel vlak voor veel mensen een heel stuk moeilijker. Als auteur van dit boek was mijn startpunt – noem het een hypothese, of een stelling – dat verandering in de zorg altijd mislukt. Of in ieder geval bijna altijd. Met de term verandering bedoel ik in dit boek niet alleen de verandering van medewerkers. Ik beschouw het in dit boek in de meest brede zin van het woord. Logisch, want de meeste “soorten” hebben hun weerslag op elkaar, of zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Grofweg gaat het in dit boek over vier typen verandering:

  • Verandering van de sector
  • Verandering van werkwijze binnen een specifieke instelling
  • Verandering van individuen
  • Verandering van teams

De vraag waarom professioneel veranderen voor medewerkers en organisaties nu toch zo moeilijk is spookt door mijn hoofd bij alles wat ik doe in mijn werk. Het uitgangspunt dat veranderen moeilijk is, is natuurlijk niet een heel positief statement voor het schrijven van een boek hierover. Ik zal het proberen uit te leggen, waarom ik dat toch heb gedaan. Dit verhaal is allereerst géén aanklacht tegen het systeem of de mensen die erin werken. Het is niet bedoeld om beter te weten, of om anderen ongelijk te geven. Het is ook zéker niet bedoeld om mensen de moed in de schoenen te praten, fatalistisch over te komen, of als weerstand tegen verandering überhaupt.  Het is slechts mijn blik op hoe de wereld in “zorgland” werkt en soms helemaal niet werkt. En tegelijkertijd probeer ik mijn eigen cynisme ook te temperen en hoop te putten uit de kleine dingen die wél slagen, want daar zijn ook genoeg voorbeelden van. En eigenlijk niet eens alleen kleine dingen, want de sector verandert op macroniveau wel degelijk; kijk bijvoorbeeld eens naar de ontwikkelingen op medisch gebied in de afgelopen 25 jaar.  Zo is het ook maar moeilijk voor te stellen dat het slechts 15 jaar geleden heel normaal was dat er in papieren patiëntendossiers met drie kleuren pen gerapporteerd werd. Zo kan ik nog wel even doorschrijven, maar wat ik er mee wil zeggen: er is weldegelijk op groot niveau sprake van verandering in de sector.

Hoe is dit boek dan wél bedoeld? Ik probeer de theorie van verandering te spiegelen aan mijn eigen levensgebeurtenissen, zowel op persoonlijk als op professioneel gebied. Door de jaren heen heb ik al eens verhalen geschreven en blogs geplaatst op social media, maar nooit iets echt gepubliceerd. Delen van die verhalen heb ik voor dit boek herschreven. Ik gebruik die persoonlijke verhalen als startpunt voor ieder hoofdstuk, om verandering te duiden, te schetsen, of te verklaren vanuit hoe ik naar de wereld kijk. De persoonlijke verhalen in dit boek gaan over mijzelf. Ze zijn autobiografisch, soms wat aangedikt, soms wat afgezwakt. De essentie in elk persoonlijk verhaal zal de lezer duidelijk worden; verandering is, naast alle dingen die we geforceerd probéren te veranderen, iets wat óók gewoon gebeurt. Soms ten goede en soms niet. Dat weten we meestal pas achteraf.

Wat ik met het schrijven van dit boek wil overbrengen op de lezer is het volgende; verandering begint op onverwachte plekken. In bus­hokjes tijdens sneeuwbuien, op de rand van het ziekenhuisbed van een stervende patiënt, in gammele pittoreske Franse dorpjes, aan keukentafels waar beslissingen worden genomen die pas jaren later betekenis krijgen. Het zijn allemaal kleine, ongedwongen veranderingen die gewoon gebéuren. De zorg werkt vrijwel altijd ook op die manier. Niet als een trein op een spoor, maar als een rivier door rotsachtig terrein. Ze stroomt waar ze heen kán, niet waar we willen dat ze gaat. En toch blijven organisaties en overheden verandering zo teweegbrengen alsof de werkelijkheid zich laat modelleren. Alsof cultuur, geschiedenis, relaties en menselijke overtuigingen slechts variabelen zijn in een uit te voeren plan wat amateuristisch op een draaischijf gekleid wordt, om vervolgens tijdens het bakken weer in te storten. Misschien willen organisaties wel te graag onder druk van media die een negatief beeld van de sector schetsen. Of voelen organisaties zich gedwongen door politieke machten die onvoorstelbaar besluiteloos zijn.

Of doet de sector het zelf? Zit het gewoon in het DNA van de zorg; praten, polderen, overdenken, veranderen, middenwegen zoeken, nooit écht knopen doorhakken. Wanneer leren we dat verandering zich niet makkelijk laat temmen? Verandering laat zich hooguit herkennen, of met wat moeite structureren, zoals we rivieren ook hebben gestuurd door kanalen te bouwen. En zelfs dan wil een rivier nog wel eens flink buiten zijn oevers treden en volledig uit de hand lopen.

In de jaren die ik sinds 2004 heb gesleten als stagiair, psychiatrisch verpleegkundige, hoofdverpleegkundige, team-coach, teamleider, manager, consultant en als projectmanager, merkte ik telkens opnieuw dat het vaak juist niet de structuren waren die beweging brachten. Wél waren het de kleine momenten waarin mensen zich gezien voelden waardoor er daadwerkelijk iets kon gebeuren; de situatie waarin iemand voor het eerst durfde te zeggen dat hij het eigenlijk niet meer wist; de ene collega die tegen een andere zei: “Ik help je wel, laten we het samen proberen.” Dát zijn de echte bouwstenen van verandering. Niet grandioos, niet programmatisch, maar menselijk, klein en bijna onaanraakbaar. Ik bezit niet de arrogantie om ook maar te overwegen dat het slagen van de veranderingen waar ik de afgelopen 20 jaar bij betrokken ben geweest, aan mij heeft gelegen. Het gebeurde gewoon, plotseling, stilletjes.

Verandering is nog het beste te omschrijven door de metafoor van de verbouwing van mijn huis te memoreren, waar ik sinds 2016 woon met mijn eega J. Een project dat op papier overzichtelijk was; drie weken slopen, dan zes maanden opbouwen. Maar wie ooit een huis uit 1926 heeft gesloopt, zou moeten weten dat de werkelijkheid geen rekening houdt met plannen. Onder de vloeren lagen vergeten rioleringen en doodlopende gasleidingen. Achter muren lagen drie generaties houtwolcement en schrootjes tegen elkaar aan gestapeld, en de stalen draagbalk uit de jaren vijftig leek nog net voldoende structureel integer om de bovenverdieping waar onze twee kinderen al jaren sliepen, te dragen. Niets was recht, niets was logisch, alles leek door toevalligheden aan elkaar verbonden. Dat alles verklaarde waarom het huis stond zoals het stond.

Zo zijn teams ook, zo zijn organisaties ook. Alles wat je ziet is een gevolg van iets wat er al jaren ligt.

Verandering is daarom niet slechts het implementeren van iets nieuws. Het behelst vooral het blootleggen van wat er altijd al was.

Soms is dat pijnlijk, of heel erg verhelderend, maar vrijwel altijd noodzakelijk. Dit boek gaat niet over hoe verandering theoretisch beschouwd zou móéten werken. Het gaat over hoe verandering werkelijk werkt: rommelig, menselijk en vaak mislukt. En hier en daar, tegen alle verwachtingen in, sluit er toch iets aan. Er beweegt iets, er ontstaat ruimte en er groeit vertrouwen. Als dat gebeurt, is men al een heel eind.

Verandering van organisaties, teams en de sector als geheel mislukt voortdurend. Mensen veranderen wél. Altijd en doorlopend. Dat is precies genoeg om hoop uit te putten. Verandering begint niet in bedompte zielloze vergaderzalen, met beleidsdocumenten, met nieuwe structuren. Het begint juist in de persoonlijke verhalen die we allemaal met ons meedragen. Het moment dat iemand eindelijk zegt: “Volgens mij doen we dit al jaren zo omdat we bang zijn.” Het begint bij de leidinggevende die stopt met domineren en start met luisteren. Misschien begint verandering altijd dáár: op de plekken en de momenten waar mensen even ophouden met doen wat hoort en beginnen met zeggen wat waar is. Dat is waar dit boek begint en ook waar echte verandering eindelijk een kleine kans krijgt. Waar dit boek eindigt? Níet met een hoopvolle boodschap, of met een eenduidige oplossing. De lezer zal na het lezen van dit pleidooi begrijpen dat verandering bijna niet te regisseren valt en wat ervoor nodig is om het wél een kans van slagen te geven. Dat humor in de zorg onmisbaar is, zolang het niet omslaat naar cynisme dat leidt tot een giftige onderstroom. Dat sterk en reflecterend leiderschap een belangrijke rol spelen bij verandering. Dat verdrágen essentieel is.

Tot slot geef ik de lezer mee: het is allemaal ontzettend moeilijk. Dat is gewoon zo. En toch komt het vaak goed, net als in het volgende gedicht.